De roze cowboy

Als kind had ik cowboypoppetjes. Ik weet niet meer waar ze vandaan zijn gekomen, en ik weet al helemaal niet waar ze zijn gebleven, maar het waren cowboys die je zelf samen kon stellen. Lijfjes, benen, hoofden, hoeden en natuurlijk pistolen. Mijn favoriete cowboy had een witte hoed, een blauwe broek en een roze hemd. De ‘roze cowboy’ was de held in mijn kinderfantasie.

Ik had ook een pop, een ‘meisjespop’. Het was een meisje met blond haar en volgens mij had ze een groen gestreept jurkje aan.  Ik weet niet meer of ik haar ooit een naam heb gegeven, maar ze hoorde bij mij zoals ook mijn kleine knuffelbeertje, het doekje waarmee ik sliep en natuurlijk de roze cowboy.

Kinderen spelen met alles wat ze in handen krijgen en creëren een band met hun speelgoed die onafhankelijk is van wat voor maatschappelijke invloed dan ook. Totdat ze die maatschappij in moeten. Ik had van mijn twee oudere broers – zusjes heb ik niet – al begrepen dat zo’n roze cowboy een beetje vreemd was en als er vriendjes kwamen spelen, verdween hij uit het zicht, net als de meisjespop. Totdat ze uiteindelijk helemaal verdwenen.

Het laatste wat sneuvelde, was het doekje waarmee ik sliep – dat was overigens gewoon een poetsdoekje van de benzinepomp wat af en toe stiekem door mijn ouders werd vervangen. Ik geloof dat het mijn moeder was die me vlak voor mijn eerste zomerkamp met de padvinders duidelijk maakte dat het misschien wel beter was om het thuis te laten. En ik vond mezelf een hele vent dat ik er zomaar afstand van deed.

Een hele vent, ja. Terugkijkend heb ik altijd gevonden dat dat het punt was wat ik bereiken moest: een vent zijn. En eigenlijk nog wel: inmiddels voorzien van een geheel eigen definitie van vent, streef ik er nog steeds naar om hem te worden.

In plaats van gewoon mezelf te zijn, zeg maar.

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.