Van oude mensen en de dingen die voorbijgaan

De felrode rug van Natuurlijk was ik bang, het boek van Norma Kitson over haar ervaringen in Zuid-Afrika en Groot-Brittannië, is in mijn boekenkast verbleekt tot een viezig beige en Klaas de Jonge’s Dagboek uit Pretoria weet ik niet eens meer zo snel te vinden. Het is lang geleden dat ik me met Zuid-Afrika bezighield, en omdat zo veel ook toen al oude koek was: pasjeswetten, Sharpeville, Rivonia; is veel van wat er toen gebeurd is, nog oudere koek. Van lang voor mijn geboorte in 1969.

In één van mijn boeken over Zuid-Afrika kwam ik eind jaren tachtig een verhaal tegen wat speelde in 1977. De geëmigreerde Nederlandse Ada Stuijt had een brievencampagne opgezet om Nederlanders te overtuigen van de goede bedoelingen van het Afrikaner Apartheidsregime: de Skrijf ‘n Hollander Veldtog. Even voor de goede orde: ik werd acht in 1977 en speelde met mijn Playmobilpoppetjes, als ik niet naar Ren Je Rot of Stuif es in keek. Het is lang geleden.

Een paar jaar geleden kwamen dankzij Martin Bosma de plaasmoorde, de door zwarte Zuid-Afrikanen gepleegde moorden op blanke grondbezitters, in Nederland kortstondig in beeld en ineens verscheen Adriana Stuijt in mijn timeline. Dezelfde. En ze sprak over genocide op de Afrikaners. Nu is moord afschuwelijk, altijd, maar dat heb ik toen niet gezegd. En als de moorden beginnen te lijken op targeted killings, dan is het niet vreemd dat je je zorgen maakt als je deel uitmaakt van de doelgroep. Maar ook dat heb ik toen niet gezegd. Ik weet niet meer wat ik wel gezegd heb, maar fraai zal het niet geweest zijn. Mevrouw Stuijt verdween weer uit mijn leven; het boek (van een hoogst onbetrouwbare ex-agent van de Zuidafrikaanse geheime dienst en ex-sensatiejournalist – het is niet dat ik nooit aan Gordon Winter getwijfeld heb) begon weer stof te verzamelen op mijn werkkamer.

Tot een paar dagen geleden – ineens was ze er weer. Het lijkt erop dat mevrouw Stuijt het vaak met Martin Bosma eens is. En ik, u weet dat, vind Martin Bosma een bijzonder gevaarlijke figuur, een revisionist, een racist, een sluwe volksmenner, een leugenaar. Vierenzeventig jaar is mevrouw Stuijt nu, dat liet ze me weten in een (niet geplaatste) reactie onder het stuk over mijn moeder. Ze is oma van vijf kleinkinderen, net als mijn moeder. Ze is een stadgenote van me. En ze is kwaad omdat ik haar Neerlands eigen mini-Terre’Blanche heb genoemd. Ze zegt dat ik haar “een soort nazi” heb genoemd.

Laat het gezegd zijn dat dit haar siert. Eugene Terre’Blanche was een soort nazi, een hoogst onfrisse figuur in het toch al niet naar rozen geurende pandemonium van het Zuid-Afrikaanse Apartheidsverleden. Met de afstand van de tijd, en de kilometers, kan het lijken alsof alle Afrikaners hetzelfde waren, allemaal AWB’ers, allemaal klaar om hun eie land – Gelofteland! zou Terre’Blanche toevoegen – met geweld te verdedigen. Maar zo was het niet. Er bestond nuance, al klinkt dat voor niet-ingewijden wellicht heel vreemd.

Kijk, mevrouw Stuijt en ik worden het niet eens. Ik stap niet op een vliegtuig naar Johannesburg om een kopje Rooibos te gaan drinken bij de Stuijtjes en gezamenlijk Die Stem van Suid-Afrika te zingen. Maar laten we wel wezen, ik ga soms best hard tekeer tegen mensen en dan moet je niet te beroerd zijn om een keer toe te geven dat het best wel wat minder had gekund. Een brievenschrijfactie in 1977, beschreven in een schimmig boek uit 1981, moet ook geen reden zijn om iemand tot in lengte van dagen te achtervolgen met beschuldigingen. Maar in het vuur van de strijd sta je er niet bij stil dat het allemaal zo weinig voorstelde en zo lang geleden is, en dat de beschuldigde vierenzeventig is. Ik wil niet als Bittereinder te boek staan. Het spijt me, Adriana, en het ga je goed.

Advertisements