Rijden met de Cactus is hard werken

Omdat wij niet nog eens in een Hyundai i30 wilden rijden – wij herinnerden ons nog goed hoe wij in Duitsland deze zielloze maar verder niet slechte Koreaan niet op slot wisten te zetten, en de rampzalige satnav van het ding – vroegen we aan de desk van Europcar op de luchthaven Zaventem een andere auto. Het werd een Citroën C4 Cactus met slechts 4000 km op de teller.

001Over smaak valt niet te twisten, maar de Cactus heeft tijd nodig – it grows on you, zogezegd. Het hielp dat de onze donkergrijs was; dan vallen die malle plastic panelen niet zo heel erg op. Eigenlijk is het een redelijk geslaagd ontwerp, op die lelijke koplampstreepjes en die enorme dakbeugels na. Daarbij vergeleken vallen de doodsaaie achterlichtjes, die op een oude ZX niet hadden misstaan, totaal in het niet. Het is dus een niet erg uitgebalanceerd ontwerp, maar wel lekker gedurfd – iets wat in het verleden elke Citroën was.

citrologoToch heb ik wel zo mijn twijfels over al dat plastic. In ons Italiaanse klimaat wordt plastic heel gauw lelijk; je ziet hier genoeg auto’s op leeftijd waarvan de kunststof onderdelen simpelweg zijn vervormd. Dat is slecht nieuws voor wie hecht aan een beetje aardige restwaarde voor zijn Citroën.

Het is een prettige, ruime auto om lang in te zitten, en als je eenmaal gewend bent aan de idiote armleuning tussen de voorstoelen, stoot je je er niet meer aan. Rijden is een ander verhaal. Hij is niet zo pittig als zijn stoere uiterlijk doet vermoeden en het is allemaal wat stroef – je moet behoorlijk werken achter het stuur en dat is op langere ritten best vermoeiend. Wij reden bijvoorbeeld van Haren (Groningen) naar Dordrecht en dat is al een hele onderneming. Goed om te weten voor de Citrofiel die ermee naar Frankrijk wil rijden. Wat ook al niet helpt, is het glazen ‘panoramadak’ waardoor de auto zelfs bij een buitentemperatuur van een graad of veertien op Texel van binnen behoorlijk warm wordt. Dat is hier in Italië al helemaal niet aan te raden. Natuurlijk heeft het ding airco, maar je wilt die niet altijd aan hebben, want zo worden de verbruikscijfers van de auto een stuk minder gunstig.

Het waaide die dag, Bevrijdingsdag, een beetje. Matig tot krachtig, volgens het weerbericht op de radio – het hoogtepunt van het slechte weer was toen allang weer voorbij. En dat vindt de Cactus niet leuk. Terwijl op de snelweg mensen met caravans zonder problemen rechtuit bleven rijden, rukte de wind aan mijn stuur als een bijrijder in doodsnood en daarbij klonk dan ook nog eens een verontrustende pieptoon. Die werd waarschijnlijk veroorzaakt door de wind die tussen de dakbeugels door gierde, maar die wetenschap hielp niet erg om me gerust te stellen. Ik nam dus gas terug en daar rij je dan op zo’n prachtige 130-kilometerweg in het Noorden, nauwelijks boven de 105. En je moet nog 220 kilometer.

Mijn eerste auto was een (toen) 15 jaar oude, grondig doorgeroeste Fiat Panda – het eerste model, met dat broodroosterfrontje. Ik heb in Volkswagens gereden, Opels, een enkele Subaru, een gehuurde Peugeot 107, een Kia Cee’d met het stuur aan de verkeerde kant en zoals gezegd een Hyundai i30. In geen van deze auto’s voelde ik me zo onveilig als in de Cactus. Volgende keer kies ik als het even kan toch maar zo’n ellendige Koreaan.

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , , , , . Bookmark the permalink.