Filmpje

Een man en een vrouw rijden in een auto door de stad. Hij, verbeten: “Ik geloof dat het toch echt beter is als we nu eerst naar de supermarkt gaan.” Zij, met overdreven nadruk: “Nee! Juist nu is het van het allergrootste belang om eerst het postkantoor aan te doen!” Vraag: waar zit u naar te kijken?

Antwoord: een Nederlandse film. Alleen in Nederlandse films hebben de dialogen zo’n steriele, formele klank – en het helpt ook al niet dat alle acteurs praten als Leidse studenten. Kitty Courbois sprak in Het wassende water als boerenvrouw anno 1920 precies als Renée Soutendijk in Van de koele meren des doods als de 19de eeuwse upper class Hedwig, en ook in de trailer van het nieuwste Nederlandse filmprodukt, Michiel de Ruyter, lijkt het alsof de dialogen zijn overgeschreven uit jongensboeken anno 1955 en worden voorgedragen door de leden van LSV Minerva.

Het is aan Nederland kennelijk voorbijgegaan dat de BBC al jaren dialectsprekers, of althans mensen met een sterk accent, gewoon op de televisie laat spreken en dat er in Italiaanse films duchtig regionale smaak door de dialogen wordt geklopt – ook als de acteurs niet uit dezelfde streek afkomstig zijn als de karakters die zij moeten spelen. (De beroemdste commissaris van Italië, de Siciliaan Montalbano, wordt gespeeld door de Romein Luca Zingaretti.) Er wordt bovendien gemompeld en door elkaar heen gepraat en er worden dingen maar half gezegd. De Ruijter was een Zeeuw en daarenboven geen redenaar die beroemd is geworden door zijn gloedvolle toespraken, maar een man van de harde oorlogspraktijk. Ik zie in de trailer echter een politicus die grossiert in holle frasen.

Op zich is een film over Michiel de Ruyter een goed idee. Zijn rol in de geschiedenis van Nederland is niet te onderschatten en het is ook nog eens een welkome afwisseling van de eindeloze stortvloed aan Tweede-Wereldoorlogfilms die ons land in het verleden heeft voortgebracht. Maar de trailer staat wel heel erg bol van het landsbelang en de vrijheid en de onzelfzuchtige heldhaftigheid. En natuurlijk de fier wapperende driekleuren.

De cultuur is “de beste garantie van elke hoop op waardigheid, soevereiniteit en nationale grootsheid,” ronkte het programma van de fascistische partij Casa Pound die meer Italiaanse films wil zien, mits “geïnspireerd op het voorouderlijk cultureel erfgoed van de Europese volkeren.” Michiel de Ruyter belooft derhalve een film te worden die precies past in de huidige tijdgeest. Nationalistisch, oppervlakkig, onrealistisch en van twijfelachtige kwaliteit.

Advertisements

One Comment

  1. Johan Huizinga:

    Huizinga:

    ‘De eenheid van het Nederlandse volk is bovenal gelegen in zijn burgerlijk karakter… Uit een burgerlijke sfeer sproten onze weinig militaire geest, de overwegende handelsgeest… Hypocrisie en farizeïsme belagen hier individu en gemeenschap! […] het valt niet te ontkennen, dat de Nederlander, alweer in zekere burgerlijke gemoedelijkheid, een lichte graad van knoeierij of bevoorrechting van vriendjes zonder protest verdraagt.’

    Al in een zeer vroegtijdig stadium beschreef hij de consumptiecultuur als volgt in zijn essaybundel ‘Verspreide opstellen over de geschiedenis van Nederland’:

    ‘De gemiddelde man met weinig tijd krijgt zijn noties aanhoudend en op velerlei wijzen aangepraat, en praat ze na. Indien men kon vergelijken, wat in het geestelijk leven van de enkele, in een minder ontwikkelde beschavingsperiode dan de onze, de rol is geweest van eigen nadenken, eigen keuze, eigen uitdrukking, dan is het zeer de vraag, of onze tijd met zijn veelzijdige en steeds overvloede belangstelling de prijs zou behalen. Het is niet, zoals de stormlopers tegen het intellect menen, de kennis, die schaadt, maar de intellectuele digestie, die hopeloos in de war is, alweer niet uitsluitend door de schuld van hen, die het geestelijk voedsel hebben op te dissen, maar ook door de omstandigheden die teweegbrengen, dat het te haastig en te heet verzwolgen wordt. De werkelijke belangstelling van het grote publiek is niet meer bij de werken des geestes, althans in veel mindere mate dan bij voorbeeld in de achttiende eeuw, toen het publiek veel kleiner, maar zijn gerichtheid veel intellectueler was. De ernst der massa’s wordt tegenwoordig in toenemende mate besteed aan dingen, die een onvooringenomen cultuurwetenschap slechts als lagere spelvormen (er zijn ook zeer hoge) zou kunnen kwalificeren. Er heerst in de huidige wereld een georganiseerd puerilisme van mateloze omvang… Het kan soms schijnen, alsof de hedendaagse mensheid geen hogere gemeenschappelijke cultuurfunctie meer kent, dan met blijde of toornige blik in de pas te lopen.’

Comments are closed.