Studentenhaver

Mijn vader hield niet zo heel erg van jazz, maar twee platen vielen op tussen de opera’s en symfonieën in de kast: Ekseption en Dave Brubeck’s Greatest Hits. Als ik die cover zie, ruik ik weer die typische geur van LP-hoezen op leeftijd. De muziek voert me terug naar de hobbelige Nederlandse snelwegen, lekker alleen met mijn vader in de auto. Dan mocht ik de muziek uitzoeken en dat was makkelijk kiezen, zo tussen de Rigoletto’s en Unvollendetes. We dansten samen in vijfkwartsmaat over de A16. Brubeck is vandaag, op de dag voor zijn 91ste verjaardag, overleden. De CD-versie van zijn Greatest Hits ligt in mijn dashboardkastje – het werkt op de A3 Salerno – Reggio Calabria net zo goed als tussen de Brienenoord en de Moerdijk.

Mensen die zeggen dat ze niet van jazz houden, hebben geen idee waar ze het over hebben. Er is zo veel verschillende jazz. Je hebt rauwe jazzmannen zoals John Coltrane die alle noten in een akkoord speelde, en liefst ook zo veel mogelijk noten die er helemaal niet in zitten. Je hebt onderkoelde artiesten zoals Miles Davis, de man die bewees dat minder méér is, je hebt freaks zoals het Sun Ra Arkestra – en er was Dave Brubeck, een vreemde eend in de bijt in meer dan een opzicht.

Ik zou het academische jazz willen noemen. Brubeck pionierde de toepassing van hoogst ongebruikelijke ritmes – niet alleen de wereldbekende swingende vijfkwartsmaat van Take Five (overigens een nummer van saxofonist Paul Desmond) maar ook bijvoorbeeld een gekmakende zevenkwartsmaat: Unsquare Dance is een uitdaging voor alle voettappende, vingerknippende jazzfanaten. Dit is geen half spontane uitwerking van een standard meer – dit is hogeschoolwerk. En al kan ik deze muziek dromen, het blijft verrassend.

Niet dat Brubeck wegliep voor standards – de klassieke melodieën die door veel jazzartiesten worden gebracht, zoals het overbekende Summertime uit Porgy and Bess – maar ook in These Foolish Things of Take The ‘A’ Train is de hand van de meester onmiddellijk te herkennen. Het staat als een huis en loopt als een trein, om het maar eens paradoxaal uit te drukken.

Het kwartet ademt een sfeer van beschaving, misschien zelfs wel gezapigheid, maar dat mag de pret niet drukken. Jules Deelder beschreef ooit de Brubeckfans op North Sea Jazz als pijprokers en dat past perfect, en Salman Rushdie noemt Brubeck ‘een deel van de soundtrack van zijn jaren in Cambridge’ – en ook dat past perfect. Oneerbiedig gezegd: Brubeck is studentenhaver. Niet verrassend is het dan ook dat de jonge Brubeck naam maakte met concerten op Amerikaanse universiteiten in 1954, verzameld op zijn eerste album voor Columbia: Jazz Goes To College.

Ekseption en Brubeck – ik overdrijf niet als ik stel dat deze twee essentieel zijn geweest voor mijn muzikale opvoeding. Rick van der Linden deed me wennen aan het vreemde, het ongebruikelijke; Dave Brubeck besmette me met swing. De Rigoletto’s en Unvollendetes van mijn vader konden daar niets meer aan veranderen.

 

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , . Bookmark the permalink.

One Response to Studentenhaver

  1. Sante says:

    Rob, je bent me voor, maar ik ga toch nog even een eigen versie schrijven.

Comments are closed.