Ephimenco bewijst het gelijk van Dchar

Sylvain Ephimenco beweert in Trouw dat Nasrdin Dchar, toen hij zijn Gouden Kalf in handen kreeg, beter had kunnen vertellen “dat je in dit land, als Nederlandse Marokkaan, net zo goed burgemeester, Kamerlid, staatssecretaris, succesvolle schrijver, zanger of acteur kunt worden.” 

Ephimenco toont zich een exponent van wat ik het voorbeelddenken noem, een paternalistische denkwijze die zich onder andere uit in het aanleggen van lijstjes “voorbeeldige” allochtonen wat uiteindelijk niets anders is dan bevestigen dat mensen allereerst een etniciteit zijn en dan pas een persoon. Colin Powell vond jaren geleden al dat hij geen voorbeeld moest zijn voor de zwarte jeugd, maar voor de jeugd in het algemeen. Ephimenco heeft die boot gemist.

Maar, zou je zeggen, Dchar legt toch zelf de nadruk op zijn Marokkaanse bloed? Morgan Freeman zei al eens dat de oplossing voor racisme is om niet meer over ras te praten. “I’m going to stop calling you a white man and I’m going to ask you to stop calling me a black man.” PVV-Statenlid Monica Nunes was er dan ook als de kippen bij om te roepen dat de achtergrond van Dchar onbelangrijk is. Dat klinkt ontzettend vooruitstrevend. Maar de PVV vindt de achtergrond van mensen gewoonlijk razend belangrijk – als ze negatief in het nieuws zijn. Dchar reageert daarop. Hij heeft het niet over wij-en-zij of “blanken”, noemt zich allereerst Nederlander, maar benadrukt zijn achtergrond eveneens. Omdat deze dagelijks wordt belasterd en besmeurd.

Ephimenco toont zelf aan hoezeer Dchar gelijk heeft. De acteur hield zijn speech volgens hem “tegenover een applaudisserende filmwereld die toch zou moeten weten dat er in dit land nog nooit een Marokkaanse filmregisseur door een autochtone terrorist is vermoord.” Want zie je, Nasrdin Dchar is een Marokkaan en Mohammed Bouyeri is een Marokkaan, en kennelijk is dat voldoende voor Ephimenco om de twee aan elkaar te koppelen.

Tsja. Sylvain Ephimenco, maarschalk Philippe Pétain en de terroristen van de OAS zijn allemaal Fransen, maar laat ik me niet tot zijn niveau verlagen en hem koppelen aan een zooi jodenjagende landverraders, laffe collaborateurs en extreemrechtse kolonialen. Dat is al te gemakkelijk, al is hij zelf in Frans Algerije geboren. Want zoals Ephimenco vindt dat een Marokkaan zich niet mag verdedigen, zo vind ik dat Ephimenco zich niet hoeft te verdedigen omwille van zijn afkomst.

Advertisements

3 Comments

  1. het volgende schreef ik drie jaar geleden:

    De Poseur Ephimenco

    De naar beneden getrokken mondhoeken, de treurende ogen, het is duidelijk: de columnist Ephimenco lijdt aan het leven. Het valt hem allemaal bijzonder zwaar. En dus moet iemand de schuld krijgen van dit alles. En aangezien hij niet in God en de Duivel gelooft, moet de andere mens de schuld krijgen, de buitenstaander, de indringer, de makkelijk herkenbare. Al jarenlang is te zien hoe Ephimenco stapje voor stapje naar extreem rechts opschuift. Dat mag in een democratisch land. Het probleem is alleen dat Ephimenco tegelijkertijd mensen met andere gedachten dan hij en andere opvattingen is gaan haten. Dat maakt hem onverdraagzaam en rancuneus. Dat is niet alleen jammer, maar ook gevaarlijk omdat hij de – in elke samenleving aanwezige – rancune begint te mobiliseren. Hij wordt een gevaar zodra hij zijn eigen lijden als argument gebruikt om anderen te laten lijden.

    Een lezer emailde mij het volgende:

    ‘Beste Stan,

    Heb je wellicht een antwoord op de vraag hoe het kan dat iemand die zo slecht schrijft, en bovendien altijd over hetzelfde onderwerp, als Sylv. Ephimenco, zo ontzettend lang op de loonlijst van Trouw kan blijven staan? Hebben de redacteuren van Trouw geen enkele gêne, of zien ze het gewoon niet? Lees dit eens:
    http://yelamdenu.blogsome.com/2008/03/20/manipulatie-door-sylvain-ephimenco-een-deconstructie/
    Kent de Raad voor de Journalistiek nog een “Dit kán toch niet!”-afdeling?

    Vriendelijke groeten’

    Zie: http://www.trouw.nl/deverdieping/dossiers/article945140.ece/ephimenco_Nieuwe_analyses

    Beste lezer dit soort kwasten bestrijd je niet met verboden, maar met argumenten. Deze bijvoorbeeld, die ik zes jaar geleden opschreef voor het tijdschrift de Humanist:

    ‘Opvallend is het aantal poseurs onder de columnisten. Pim Fortuyn, Leon de Winter, Sylvain Ephimenco, om er enkelen te noemen. Opvallend maar niet onverklaarbaar. De column is bij uitstek het wapen van de poseur in zijn strijd om erkenning. Hoewel ze in uiteenlopende gradaties en soorten voorkomen hebben de poseurs onder de columnisten één ding gemeen: na verloop van tijd gaan ze in hun eigen geconstrueerde waarheid geloven. Als vanzelf valt hij (of zij) automatisch terug op een pose. Z’n woorden zijn een schreeuw om aandacht. Hij wil behagen om bewonderd te worden. De opinie an sich interesseert hem niet, alleen het effect dat ze teweegbrengt. En omdat in een massamaatschappij gedachten niet de ultieme impact opleveren, zet hij sentimenten in: het simplistische vooroordeel tegen het complexe oordeel, de impuls tegen de bezinning, de verholen suggestie tegen de beargumenteerde gedachte. Hij is de man van de soundbite, zijn wereld is eendimensionaal, even overzichtelijk als een stripboek. De columnist is als een standup comedian, een hit en runfiguur, die met de snelheid van een tasjesdief te werk gaat. Daarbij moet hij als broodschrijver telkens weer een mening over van alles en nog wat ophoesten, hetgeen automatisch leidt tot een inflatie van meningen. Om dit te verdoezelen moet elke opinie de kracht van een donderslag krijgen. De minder bekwame columnist pompt zijn vruchteloze woorden op tot ze als reusachtige ballonnen boven hem zweven en met hem aan de haal gaan. Hij gebruikt de taal niet om inzicht te verschaffen maar om te heersen, om te straffen, om iemand in een hoek te dwingen en verbaal af te ranselen. Hij dicht de ander alle denkbare gruwelijkheden toe om zelf buiten schot te blijven. Hoe zwarter de ander wordt afgeschilderd des te onschuldiger lijkt hij. De column is voor hem een techniek, een foefje, een suikerspin van woorden; na vijf minuten is het op en weg, de consument met plakkerige handen achterlatend. Het lijkt allemaal echt, maar is het niet. De woorden zijn te hol, de begrippen potsierlijk, de zinnen drijven in een niet doorleefde werkelijkheid. In zijn hang een maximaal effect te bereiken, vervalt de poseur onder de columnisten onherroepelijk in pathetiek. Hij uit zich in steeds heftigere bewoordingen, zijn toon wordt geëxalteerd, zijn opinies grotesk. Meningen worden door hem uitgemolken en verder aangescherpt tot ze een karikatuur van de werkelijkheid zijn geworden. Een jaar voor zijn dood wees de auteur Frans Kellendonk me op een ander fenomeen: ‘Het gruwelijke is: zodra je iets opschrijft, verhardt het. Het gevaar is dat je er dan ook in gaat geloven, dat de dingen zijn zoals je zegt dat ze zijn. Wat je moet behouden is een scepsis, een vrijheid, het gevoel van de ongrijpbaarheid van alles. Dat vereist een geweldige krachtsinspanning.’ Maar juist aan die scepsis ontbreekt het de poseur onder de columnisten, zijn stukje zou het niet verdragen, het zou dan te duidelijk worden dat er wartaal staat, wat bij closereading al snel blijkt. De columnist en de schrijver leven in twee gescheiden werelden. Voor een auteur vormt de taal een moreel criterium, hij heeft niets anders. Hij weet dat, zoals de satiricus Karl Kraus schreef: ‘Taal de moeder [is] van de gedachte, niet haar dienstmeid.’ Die wetenschap ontgaat de hier genoemde columnisten. Voor hen zijn de woorden zelf inhoudsloos geworden, ze hebben slechts propagandistische waarde en kunnen derhalve als dodelijk gif werken.Tekenend voor het tweede garnituur columnisten is dat ze niet in staat is om in 500 of 1000 woorden een gefundeerde gedachte te formuleren. Een sprekend voorbeeld is Sylvain Ephimenco, die bijna dagelijks een mening moet fabriceren. Na 11 september hing hij zijn Amerikaanse vlag halfstok, zette zich achter zijn pc en tikte voor Trouw een ‘Open brief aan de moslims van Nederland,’ die als volgt begint: ‘De vliegtuigen van 11 september hebben zich niet alleen een weg geboord in beton, glas en vooral menselijke levens in New York en Washington, maar zorgen sinds die dag voor een steeds toenemende polarisatie tussen jullie, moslims van Nederland, en het overgrote deel van de niet-islamitische bevolking… Ik vrees dat naarmate de incidenten zich op zullen stapelen, jullie bereidheid tot luisteren naar confronterende geluiden aanzienlijk zal afnemen.’ Hier wordt onmiddellijk een tegenstelling geschapen. Wij de slachtoffers, jullie de daders. Op een demagogische wijze schept Ephimenco in een vloek en een zucht een messcherpe scheiding tussen ons en letterlijk alle islamieten van Nederland, die hij collectief verwijt een polarisatie te creëren. Blaming the victim in een razende monoloog, die hijzelf als ‘dialoog’ aanprijst. Het criminaliseren van een hele bevolkingsgroep is een oude en beproefde techniek, het wapen bij uitstek van de propagandist. Pim Fortuyn deed hetzelfde toen hij een miljard islamieten verweet in een ‘achterlijke cultuur’ te geloven. In de wereld van dit soort columnisten is alles zwart/wit, kleuren compliceren alleen maar en dan luistert de massa niet meer. Na de dood van Fortuyn verzon Ephimenco een andere polarisatie. In zijn Trouwcolumn van 14 mei van dit jaar schreef hij: ‘Er is een Nederland van boven en een Nederland van beneden die het contact met elkaar hebben verloren… Het doet me pijn te constateren hoe de laatste dagen het rouwen van Beneden Nederland door Boven Nederland belachelijk wordt gemaakt.’ Het was hem kennelijk nooit eerder opgevallen dat tussen de elite en de massa nooit werkelijk een contact heeft bestaan en ook niet kan bestaan, tenzij de elite de platte massacultuur omarmt. Of in de woorden van de auteur Ian Buruma: ‘Westerse intellectuelen vertegenwoordigen niets dan hun eigen idealen.’ Het was Arthur Schopenhauer die er anderhalve eeuw geleden al op wees dat ‘er in de wereld niet veel anders te kiezen [is] dan tussen eenzaamheid en banaliteit.’ Het fulmineren tegen ‘Boven Nederland’ verraadt Ephimenco’s rancune tegen intellectuelen, een wrok die op vruchtbare bodem valt in een cultuur met een calvinistisch verleden waar het woord elite altijd al een negatieve connotatie opriep. Zonder enige terughoudendheid werpt hij zich op als spreekbuis van het volk en als zodanig vervult ook hij de rol van populistische poseur, de grote gelijkmaker. Ook hij voelt zich slachtoffer van kwade krachten, onverschillig of die nu geprojecteerd worden in intellectuelen dan wel in islamieten, of in wie dan ook die daarvoor zo nodig in aanmerking komt. Zijn ijdelheid belet hem in te zien hoe gevaarlijk het spel met de ressentimenten is. In de Oudejaarsuitzending van KRO’s Netwerk verscheen Sylvain ineens in beeld om de kijker toe te spreken over de aanslagen in de VS. Hij sloot zijn in het Frans uitgesproken column als volgt af: ‘Natuurlijk weet ik waar ik op 11 september was. Ik was ondergedompeld in herinneringen aan het Algerije van mijn jeugd dat verscheurd werd door een oorlog tussen christenen en moslims. Nee, de wereld is niet veranderd op 11 september. De haat jegens de ander bestond al lang.’ En zo schept ook Ephimenco zijn eigen werkelijkheid. Ook hij is uiteindelijk in zijn eigen pose van slachtoffer gaan geloven, want de werkelijkheid is deze: het Franse leger heeft tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd op grote schaal gemarteld en gemoord. Het afgelopen voorjaar nog reageerden de Fransen geschokt op de bekentenissen van oud-generaal Paul Aussaresses dat hij nog steeds geen spijt heeft van de Franse terreur in de voormalige kolonie, al was het maar omdat ‘martelen doeltreffend is.’ Excuses voor het leed de Algerijnen aangedaan zijn veertig jaar na het plegen van de oorlogsmisdaden en de misdaden tegen de menselijkheid nog steeds niet door de Franse staat aangeboden. Wel ‘erkende de regering-Jospin [in 1998] dat de onderdrukking door de politie van een demonstratie voor onafhankelijkheid van Algerijnen, in 1961 in Parijs niet, zoals steeds officieel is beweerd, slechts drie maar tientallen levens had gekost,’ zo berichtte NRC-correspondent Pieter Kottman op 9 mei j.l. Tijdens die vreedzame demonstratie schoot en knuppelde de Parijse politie een nog immer onbekend aantal Algerijnse nationalisten dood en smeten hun lijken vervolgens in de Seine om voor eens en voor altijd duidelijk te maken wie in ‘het vaderland van de Verlichting en de mensenrechten’ bepaalde of er geprotesteerd mocht worden tegen het terrorisme van de Franse staat. Na de demonstratie, waaraan meer dan 30.000 Algerijnen deelnamen, onder wie vrouwen en kinderen, pakte de politie 10.000 mensen op en deporteerden ze naar detentiekampen waar een aantal van hen werd vermoord. De schattingen over het totale aantal doden lopen uiteen van 32 tot rond de 200. Het exacte aantal is onbekend omdat president De Gaulle weigerde een officieel onderzoek te laten instellen en geen van de doden officieel werd geregistreerd. Een jaar later kondigde de Franse staat een generaal pardon af voor misdaden begaan tijdens de strijd tegen de ‘Algerijnse opstand.’ Jean-Luc Einaudi, auteur van een boek over het onbestraft vermoorden van de demonstranten, verklaarde: ‘Men heeft zich veroorloofd het bloedbad voor altijd te laten verdwijnen uit onze collectieve herinnering.’ Tot voor kort zwegen de meeste Franse journalisten over de gebeurtenissen van 17 oktober 1961. De enige persfotograaf die zijn materiaal uit handen van de politie wist te houden, Elie Kagan, sprak over de ‘volledige en totale onverschilligheid van het Franse volk.’ Zijn foto’s bleven voor het merendeel ongepubliceerd. Zes jaar geleden nog confisqueerde de Franse douane in Lyon exemplaren van de Algerijnse krant Liberté waarin Kagan’s foto’s waren afgedrukt. De toenmalige hoofdcommissaris van politie Maurice Papon, degene die opdracht gaf tot de wreedheden, had zich eerder al verdienstelijk gemaakt als coördinator van het militaire en burgerlijke ‘pacificatie’ programma in oost Algerije, waarvan martelingen en standrechtelijke executies een dagelijks onderdeel uitmaakten. Op 2 april 1998 werd Maurice Papon na het langste proces in de Franse geschiedenis op 87-jarige leeftijd veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens betrokkenheid bij het plegen van ‘misdaden tegen de menselijkheid.’ Als secretaris-generaal in Bordeaux had hij voor de nazi’s in de jaren 1942 tot 1944 de razzia’s tegen de joden gecoördineerd. Papon moest van de rechtbank tevens al zijn onderscheidingen teruggeven, waaronder de allerhoogste, de Légion d’Honneur voor bewezen diensten in het militaire en ambtelijke apparaat. In afwachting van het hoger beroep dat hij aantekende werd de oorlogsmisdadiger op vrije voeten gesteld. Voor de terreur tegen de Algerijnen bleef hij ongestraft. Vanuit deze achtergrond bezien is het op hoge toon ter verantwoording roepen van de gehele islamitische gemeenschap en het daarmee gepaard gaande borstgeroffel over westerse waarden niet anders dan obsceen. Maar dat alles negeert Sylvain Ephimenco. In zijn gesloten wereldbeeld is er geen ruimte voor het besef dat lijden een universeel verschijnsel is, dat de ervaring van verdriet eigen is aan ieder mens ongeacht ras, afkomst, geloof of cultuur, dat selectieve verontwaardiging hypocriet is, en dat bovenal de mens vanuit een gevoel van barmhartigheid in opstand dient te komen tegen elke vorm van terreur, zowel individueel als staatsterreur, zoals de Frans/Algerijnse auteur Albert Camus in ‘L’Homme Révolté’ overtuigend uiteenzette. Bij Ephimenco evenwel leidt kennis van de geschiedenis niet tot enig begrip voor het standpunt van degenen die door de harde realiteit gevormd zijn en al helemaal niet tot een forse dosis bescheidenheid over de eigen, uiteraard tot voorbeeld strekkende, voortreffelijkheid…

    Amnesty heeft de Franse regering vergeefs opgeroepen een gerechtelijk onderzoek in te stellen ‘naar martelingen en oorlogsmisdaden begaan tijdens de Algerijnse oorlog.’ Dezelfde oorlog waarin de in Algerije geboren Fransman Sylvain Ephimenco zich het slachtoffer voelde van de ‘haat’ van de islamieten, die toen al manifest zou zijn geweest. In zijn ogen waren de Algerijnen destijds geen seculaire vrijheidsstrijders maar fundamentalistische moslims die en passant op één lijn worden gesteld met Osama bin Laden. Terwijl ik Ephimenco in het Frans op televisie tekeer hoorde gaan tegen ‘het fanatisme… het goedpraten van terrorisme… de zwijgende medeplichtigheid van de Nederlandse moslims,’ en hun sluimerende dan wel openlijk beleden ‘haat,’ zei hij ineens in vlekkeloos Nederlands: ‘De tijd van het slachtofferisme is voorbij,’ daarbij doelend op de moslims. Even hield hij in om zijn woorden diep te laten bezinken. Maar met zijn grijze haren en gepijnigd gelaat, gekleed in een glimmende iets te krappe zwartleren broek die hij speciaal voor publieke optredens aantrekt, riep hij bij mij slechts een overweldigend gevoel van medelijden op. Voor me stond een pathetische man in de overgangsleeftijd die z’n koloniale jeugd nog steeds niet verwerkt had. Weer keek ik naar een ontheemde die zich radeloos aan zijn slachtofferrol vastklampte omdat hij niet anders kan. Daar stond hij eenzaam en alleen in het meedogenloze licht van de schijnwerper: een mens van deze tijd lijdend aan de ziekte van onze cultuur: het slachtofferisme, bereid om ten koste van alles -de schoonheid en de waarheid- de rol van poseur te spelen.’

    Lees verder: http://home.planet.nl/~houck006/poseurs3.html

    Na mijn kritiek gelezen te hebben sprong hij uit zijn vel en eiste op hoge toon van de hoofdredacteur van de Humanist dat hij ogenblikkelijk ruimte zou krijgen om mij van repliek te dienen. Gek genoeg hebben we uiteindelijk nooit meer iets van deze poseur gehoord. Hij had kennelijk geen of in elk geval onvoldoende argumenten.

Comments are closed.