De megalomaan

“Het is niet makkelijk een megalomaan te herkennen,” schrijft de journalist Giorgio Bocca deze week in L’Espresso; “vaak is het een talentvol mens. Toch laat [Berlusconi] altijd wel een teken van zijn megalomanie zien, ook in de details. Hij hield bijvoorbeeld enorm van jasjes met gouden knopen en wilde dan ook dat zijn entourage zich net zo kleedde. En er is zijn totale, fysieke afkeer van openlijke kritiek.”

Waar Bocca vertelt van een interview met enige voorzichtige maar kritische vragen ‘om het niet geheel op de knieën te doen’ dat desondanks onuitgezonden in een lade verdween, weet de gemiddelde Italiaan van de telefoontjes naar kritische programma’s, van het ontslag van journalisten, het benoemen van kritiekloze hoofdredacteuren, het negeren van elk praatprogramma dat hem niet zint, het volledig in handen nemen van het belangrijkste televisiejournaal en de woede die Berlusconi voelt jegens de rechterlijke macht die hem – in zijn ogen althans – aan de schandpaal nagelt. Het is onbegrijpelijk dat er nog zo veel mensen achter hem staan, zowel onder het volk als in zijn partij.

Wat we wel begrijpen, is hoe hij zijn getrouwen aan zich bindt. De multimiljonair Daniela Santanchè bijvoorbeeld is voor geld niet te koop. Toch leek de hardrechtse staatssecretaris die ooit een pornobelasting voorstelde, voor de lokale verkiezingen van een maand geleden overal aanwezig om Berlusconi te steunen, tot voor de deuren van de rechtbank in Milaan aan toe waar ze een groepje met bussen aangevoerde, voornamelijk bejaarde Silvio-getrouwen aanvuurde in een beschamende pro-premierdemonstratie met spandoeken als Silvio, je moet weerstand bieden, weerstand bieden, weerstand bieden!

Inmiddels weten we dat la Santanchè helemaal niet zo dol is op de premier. In een telefoongesprek met haar goede vriend en mede-multimiljonair Flavio Briatore (die u wellicht nog kent), dat werd afgeluisterd wegens een onderzoek naar belastingontduiking door laatstgenoemde, bespreken de twee de toestand van Berlusconi die volgens Briatore gewoon doorgaat met dezelfde feestjes, maar in een andere villa. Santanchè is “sprakeloos” en begrijpt niet waarom de premier niet is opgehouden. Briatore noemt hem ziek, zoals ooit Silvio’s vrouw hem ziek noemde, en ziet het als volgt: “Het probleem is dat straks het volk echt kwaad wordt.” Maar Santanchè is ook blij: de nieuwe directeur van de Rai is Lorenza Lei. Tevreden zegt ze tegen Briatore dat Silvio haar het akkoord heeft laten regelen en dat ze een goede vriendin van haar is. “Goed zo, het is in deze vreselijke tijden beter om hier en daar wat vrienden te hebben”, besluit Briatore. En zo heeft Dani ook haar beloning binnen.

Maar Santanchè is sinds het uitlekken van deze gesprekken niet meer gezien. Het is opvallend hoe vaak de premier en zijn partij nu van woordvoerder wisselen. Waar vroeger steeds dezelfde koppen verschenen, zorgvuldig geselecteerd per televisieprogramma (een hardliner voor Annozero, eentje die niemand laat uitpraten voor Ballarò, een sympathieke jonge vrouw voor de middagprogramma’s), is het nu een komen en vooral gaan van pratende hoofden. De snoeiharde Santanchè, een viswijf in glamourverpakking, heeft voorlopig afgedaan. Nu zien we ineens overal een symapthiek ogende, grijze man in jeanshemd zonder stropdas, die mild en begrijpend overkomt. Het is Roberto Formigoni, president van de regio Lombardije, een beroepspoliticus die in zesendertig jaar lid is geweest van vier verschillende politieke partijen.

De partij van Berlusconi is een kameleon en schakelt moeiteloos over van keiharde aanvallen – de Milanese magistratuur werd voor de lokale verkiezingen bijvoorbeeld vergeleken met de terreurbeweging Brigate Rosse – naar een zachte, begrijpende toon, inclusief instemmend knikken naar politici van de oppositie. Het is om te lachen zo doorzichtig, al vraag je je wel af hoeveel Italianen het ook doorzien.

Maar de premier zelf verandert niet. Dat is het ultieme bewijs van zijn megalomanie – hij vindt kennelijk nog steeds niet dat hij dingen verkeerd heeft gedaan. Dezelfde bunga bunga-feestjes, dezelfde ongepaste opmerkingen tegen hoge buitenlandse gasten. Gisteren nog legde hij Benyamin Netanyahu uit dat het schilderij achter hen tijdens de persconferentie, de Parnaso van Andrea Appiani, bunga-bunga anno 1811 voorstelt. “Dat ben ik, en dat is [de Napolitaanse zanger] Mariano Apicella.” Tot slot hield hij zijn gehoor voor: “Neem nooit iemand serieus die zichzelf te serieus neemt.”

En dat is nu precies zijn grootste gebrek.

 

Advertisements

3 Comments

  1. Berlusconi past precies in de mal van de hufterkoning zoals ik die beschreef in mijn artikel ‘Hufterclubs herkennen’. Dat stuk ging eigenlijk over Wilders, al voelde ook – zo bleek uit diens tweets – Bert Brussen zich aangesproken. En terecht, want ook die voldoet aan alle kenmerken van de megalomaan.

  2. De vergelijking Wilders – Berlusconi dringt zich op, zeker nu ook Wilders met de rechterlijke macht te maken heeft. Toch gaat deze op meerdere punten mank: Berlusconi is niet extreemrechts en Wilders is verre van een showman.
    Of Wilders megalomaan is… dat weet ik niet. Hij wekt wel de indruk enorm zelfverzekerd te zijn en alles in eigen hand te willen houden. Maar Berlusconi zou een Brinkman met zijn plannen voor openheid niet lang naast zich geduld hebben.

  3. Het klopt inderdaad niet één op één. Zoals vaak met vergelijkingen.

    Maar zeker wel als het gaat om de weigering openlijk en met argumenten te discussiëren met tegenstanders, of op een podium waar hij zelf geen regie heeft. Wilders weigert naar Pauw en Witteman te gaan, omdat hij weet dat hij daar kritische vragen kan verwachten. Journalisten van de ‘linkse kerk’ loopt hij gewoon straal voorbij. En net als Berlusconi reageert Wilders met ongein zodra hij aangevallen wordt. Dan is de opponent ‘knettergek’ en zijn diens beweringen ‘een schande’. Hij ziet elke discussie als een kans zijn vaste stokpaardjes te bereiden, ongeacht of die onderwerp van discussie zijn.

    Als tegenstander heb je daar weinig tegen in te brengen. Het is alsof je een partijtje voetbalt met iemand die de bal met zijn handen oppakt of onder zijn trui verstopt om hem zo het doel in te lopen. En als je er iets van zegt, beschuldigt hij je dat je niet tegen je verlies kunt.

Comments are closed.